HARTSTOCHT COLUMNS

Als je nu goed om je heen kijkt, zie je dat alles zwart is
door Rineke Roosenboom
Ruimte voor de fantasie
door Annet Bremen


Als je nu goed om je heen kijkt, zie je dat alles zwart is
door rineke roosenboom

Hij staat eigenlijk nog altijd op Woodstock, een beetje blind voor het vertrek van alle andere hippies en langzaam omringd door inwisselbare huizen. Huizen die door junkfood gevoed steeds dikkere muren en schuinere daken krijgen, en waar de grijze gevels almaar minder verschillen van de steeds kleiner wordende ramen met hun oplettende grijsaards daarachter.
Vandaag de dag draagt een architect zwarte kleding en een designerbril. Desalniettemin verschijnselde John Körmeling gisteravond fluoriserend groen aan tafel in Eindhoven. Daar zat hij, omringd door de bijna-niet verlichting van Park & Pluche en zes medetafelaars gehuld in zwart, bruin, grijs en tafelmanieren.
Op internet zijn genoeg redenen te vinden om bang te zijn van John Körmeling. Hij is bevriend met Engerds als Wim T. Schippers, Gummbah, houdt van Dada en leest (nog steeds) graag Barbarber. Hij ontwierp onder andere Drive in Wheel (reuzenrad voor uw auto), Happy Street voor de wereldexpositie 2010 in Sjanghai en het Draaiend Huis in Tilburg
Een grote naam dus, die uitspraken doet als: ‘Als een kerk in de stad mag staan, waarom dan geen varkens?’ en ‘Eindhoven is niks. Je rijdt naar binnen, verbaast je over de gebouwen die overal hadden kunnen staan, en dan ben je alweer weg.’
Zo’n man is hij. Eén met grappige, slimme, maar ook praktische ideeën. Waarom zou hij naar ons – in donkere kleren – willen luisteren? Kijken wat wij te zeggen hebben? Of ging het hem alleen om het gratis eten?

De Nederlanders zijn bang, zegt hij. Ze bouwen hun huizen tegenwoordig lichtloos en dicht en de Eindhovense studenten gaan het liefst ’s avonds weer naar hun ouders om veilig thuis te slapen. Alles om zichzelf maar te beschermen tegen de buitenwereld. De buitenwereld die …? Die wat? En bang waarvoor? Bang voor dat wat ons is aangepraat, dat wat we elkaar aanpraten? Voor mensen als John Körmeling? Voor dat wat anders is? Voor wat de politiek nu weer met ons voor heeft?

Aan tafel greep Matthijs Rümke (artistiek leider van het Zuidelijk Toneel) een minuut lang de macht over Eindhoven en gaf John Körmeling in diezelfde minuut een nieuwe baan. John kreeg de kans heel de stad aan te pakken. Alles platgooien wat hij lelijk vond, en dan alle ruimte nemen om nieuw te bouwen. Hij mag de inwoners een nieuwe stad geven.
Dan zou John, die helemaal niet eng, maar eerder benijdenswaardig blijkt, toch vooral Eindhoven nieuwe Eindhovenaren geven. Volgens hem is er namelijk helemaal niemand in de stad. Iedereen zit in de trein naar zijn of haar moeder. Daarom ook zou hij de OV-studentenkaart en begripvolle ouders afschaffen. Studenten die hier studeren zouden ook ’s nachts in Eindhoven moeten blijven en goedkoop moeten wonen.
Eigenlijk staat heel Eindhoven nog in het teken van Philips, maar de fabriek is er niet. Nu de bron van geld weg is, kan Eindhoven alleen weer een stad worden als het er weer gaat leven.
Daar hebben we de slimmeriken van de TU/e voor nodig. Die moeten hier blijven wonen, groepen vormen, projecten starten. Slimmeriken en doeners. Mensen die naar China gaan om een weg te bouwen die de lucht in gaat, om er daarna gebouwen aan te plaatsen. Mannen die alle Chinezen onder de tafel drinken. Waar de Chinezen dan naar opkijken en de Hollander zien die bleef zitten.

Dat zijn de mannen die we nodig hebben. Zij zijn de vrijdenkers, die zich niet (lijken) te bekommeren om geldkwesties – of die daar een eigen mening op na houden. Körmeling heeft vaak genoeg problemen met contracten. Als je hier in Nederland een contract ondertekent als architect, moet je het precies volgens de opgestelde regels doen. Een beetje buiten de lijntjes kleuren, en je hebt een rechtzaak aan je zwarte broek hangen. Maar hij blijft daar niet in zwelgen. Hij is één van die mensen die doorgaat. Die grappen maken over dingen waarover ze boos hadden mogen zijn. Die niet in de afgebroken geschiedenis willen blijven hangen, maar door willen gaan. Die ons leren dat we niet moeten blijven hangen aan een zwak politiek draadje. We moeten juist zelf een web maken, samenwerken waar dat handig is en grappen maken met de dingen waarvoor we bang en boos zijn. Er leven in pompen, zoveel we kunnen.

In zijn stad wil ik wonen. Met dagelijks olifantenoptochten, reuzen om uit te zwaaien en  kermisattracties die deel uit maken van de stad. Achtbanen door gebouwen, waardoor je het verschil niet meer ziet tussen echt en nep. Weinig verkeersbelemmering en soms ineens gebouwen die er – zoals het Centre Pompidou – BAM staan. En die je dan ook nog binnenstebuiten kan keren. Gebouwen waarbij je denkt Godverdomme. Dingen waar je blijft stilstaan om je af te vragen wat híer is gebeurd. Een stad waar het altijd een beetje carnaval is. Een stad waar je om kan lachen en waar eigenwijze wormen door de straten bijten op zoek naar meer verboden fluoriserend groene appels. Waar als je goed om je heen kijkt, alles gekleurd is.


Ruimte voor de fantasie
door Annet Bremen

Grijs, zeggen ze. Want grijs is de kleur van de stad, maar ook de kleur van saaiheid, van leegte en lelijkheid. De periferie van Nederland, zeggen ze. Maar ook: een groeispin. Een stad met een uitgewaaierde kern, een structuur van aaneengeregen dorpen. Loop je in één rechte lijn door de stad, waar dan ook, dan kom je makkelijk 50 verschillende soorten bebouwing tegen. Een smeltkroes, dát is Eindhoven.

Het zijn woorden die vanavond over tafel gaan in een poging deze stad te vatten. Maar voor Hans de Wit (beeldend kunstenaar), zijn vrouw, Frank van de Loo (gepensioneerd architect) en actrice José Kuijpers zijn dat geen negatieve bewoordingen. Eindhoven is geen Den Bosch, geen Maastricht, laat staan een Amsterdam, daar zijn ze het over eens: Eindhoven mist die magnetische kern. Maar juist dat lege, dat kernloze, de afwezigheid van iets groots dat voortdurend je aandacht opeist, steeds stuurt waar je naartoe moet kijken, levert een vrijheid op. Een vrijheid om te kijken naar waar jij wil, een vrijheid om te doen wat je wil. Wat wil een architect, een kunstenaar nog meer?

En toch: Hans weet beter.
Samen met zijn vrouw woont hij in Strijp, een stadsdeel in Eindhoven met oude woningen waar zich ook Strijp S bevindt, een voormalig bedrijventerrein van Philips dat ook wel ‘de verboden stad’ werd genoemd. Want de wijk was vrij gebied, maar het terrein was dat niet, hoewel dagelijks velen in en uit gingen. Hans herinnert het zich nog goed: de karavaan van wel dertig bussen uit België, iedere dag. De arbeiders, de meisjes met hun witte schortjes. Maar dat was. Ooit. Nu is dat allang niet meer.
Toch lijken de bewoners van Strijp dat verleden niet vergeten. Dat bleek toen nog niet zo lang geleden op het plein in Strijp een nieuwe kiosk moest komen. Die stond er vroeger, werd weggehaald en moest nu terug. De vraag was: een nieuwe bouwen of een oude uit Frankrijk halen? Besloten werd om een aantal architecten uit de wijk een modern ontwerp te laten maken waarna de bewoners mochten kiezen. En zij, zij stemden tegen, zij wilden nostalgie. Te modern vonden ze de ontwerpen. Ineens bleek de vrijheid om in deze stad te fantaseren beperkt. En nu, nu staat er tot op de dag van vandaag geen kiosk.

Wat ging er mis? Wat mist de Eindhovenaar?

Vermoedelijk het dorpse. Hans zegt dat de bewoners visueel geconfronteerd willen worden met dat gevoel van geborgenheid en dat vinden ze in het oude, niet in het moderne. Volgens Frank keren ze naar dat vertrouwde terug omdat ze het spoor bijster zijn: ze willen niet iedere keer dat ze kijken naar die kiosk geconfronteerd worden met de egotripperij van één of andere architect, maar met een gevoel van veiligheid. De architect moet voor even, heel even, een luis in de pels van de bewoner zijn. Dat moet bepalen wat hij maakt, en niet zijn verlangen naar het uiten van zijn signatuur.

Is de Eindhovenaar dan alleen maar op zoek naar het oude? Nee, ook dat is niet waar, want de particulier zegeviert hier. Er wordt vaak genoeg gebouwd zonder vergunning en wordt er wel een vergunning aangevraagd dan gaat het ook daarbij om egotripperij: ‘Mag mijn dakkapel drie centimeter hoger? Asjeblieft?’ De particulier gaat ver in het opzoeken van de grenzen van zijn verlangens, om zijn fantasieën werkelijkheid te laten worden. Dat wordt alleen maar meer nu de Welstandsnota komt te vervallen in deze stad. Het einde van het toezicht, het begin van de zegetocht van de keuzevrijheid. De anarchie triomfeert.
Maar hoezeer zij aan tafel die vrijheid van Eindhoven ook loven; zij zien ook de kwalijke gevolgen. Vrijheid betekent namelijk ook: wat er is, wordt ondermijnd.

De Bijenkorf is prachtig, maar met een vergenoegzaam ‘alles kan’ werd er een lelijke MediaMarkt naast gepleurd. De Amerikaanse Wijk klopt architectonisch, maar mist de grootsheid van de buurten in Amerika die model stonden. De Witte Dame torent hoog en mooi, maar ook daaromheen werd alles volgebouwd waardoor de monumentaliteit die ze heeft geheel wegvalt. Alleen het Evoluon, dat is in zijn waarde gelaten. Bijna onaangetast en hermetisch ligt het daar in het park, in de leegte. Dat park is een geluk, zegt Frank, dat biedt bescherming en maakt het onaantastbaar. En tegelijkertijd biedt het ruimte om te prikkelen, om te kijken, om er een gevoel bij te laten ontstaan.

Het gevoel dat kijken oproept. Daar komen we hier aan tafel steeds op terug. Maar wie het blikveld beperkt, geeft geen ruimte om te fantaseren.

Hans weet het zeker: zou hij in Amsterdam wonen, zou hij andere dingen maken. In zo’n stad met zo’n sterke kern zijn er geen kleine, open ruimtes meer. Juist Eindhoven heeft nog leegtes, biedt lucht tot fantaseren. Er zijn plekken om stil te staan, momenten van confrontatie: ‘Wat ben ik? Wat is hier aan de hand?’ Het zijn mogelijkheden om te kijken in plaats van alleen maar te absorberen en rond te lopen in het volgestouwde.
Even zwijgen we. Want wij alle vijf, wij kennen de Randstad maar komen uit de periferie en herkennen het gevoel. En dan zegt José dat dat voor het theater ook geldt. In Amsterdam moet je je altijd verhouden tot anderen, zegt ze. Je bent altijd aan het vergelijken, altijd ben je ‘post’, altijd een reactie. Juist in de periferie ben je vrijer.

En daar is de vrijheid weer. De vrijheid om in de ruimte die de periferie biedt je dromen te verwezenlijken. Maar ergens wringt het, want zoals gezegd: die vrijheid levert ook gedrochten op. Eindhoven is als een land na een coupe: alles mag, totdat de ene fantasie de andere in de weg komt te zitten. Waar eindigt mijn vrijheid, mijn fantasie en begint die van jou? Waar gaan onze dromen samen en waar zitten we elkaar in de weg, vliegen we elkaar in de haren?

Die vrijheid, misschien is dat een zoektocht naar een ziel. Dat resulteert in doen, in aanpoten: het zit de Eindhovenaar sinds zijn fabrieksverleden in het bloed. Maar waar vind je die ziel? In het oude laten opbloeien, in het maken van iets nieuws? In het zoeken van nieuwe bestemmingen van oude fabrieken waar je het zweet nog kunt ruiken?
Wat zal de toekomst van deze stad bepalen? Nostalgie of anarchie? Of kan dat allebei? Zolang er geen wig ontstaat tussen architect en mens kan dat allebei. Zolang er maar leegte en lucht blijft om iets nieuws te laten ontstaan, om te blijven kijken en fantaseren, groeit de stad en komt die groei nooit tot een eind.